Bijlage 2

Ontwikkelingen in op het gebied van chemische veiligheid binnen de kaders REACH en CLP in wetenschap, beleid en maatschappi

In essentie bevat de CSS de ambitie om te komen tot een gifvrij milieu (non-toxic environment). Dit kan worden bereikt door de emissie van schadelijke stoffen zoveel mogelijk te reduceren en de meest schadelijke chemische stoffen in consumentenproducten te verbieden. Daarnaast wordt gestreefd het gebruik in andere producten zoveel mogelijk uit te faseren door alleen toepassingen toe te staan die noodzakelijk zijn voor de samenleving en het milieu geen grote schade toebrengen. Dit betreft niet alleen stoffen die kankerverwekkend of mutageen zijn of de voortplanting kunnen schaden maar ook hormoon verstorende stoffen of persistente stoffen die sterk in organismen
kunnen ophopen of die zich juist makkelijk kunnen verspreiden en daardoor onder meer het grondwater kunnen verontreinigen. Voor deze stoffen dient volgens de CSS een beter en strenger beleid te worden gevoerd. Voorbeelden hiervan zijn het CSS doel van een breed verbod op per- en polyfluoralkyl stoffen (PFAS) en de introductie van nieuwe criteria in de CLP Verordening voor hormoon verstorende stoffen en PBT stoffen en de wens om deze in de toekomst als SVHC te kunnen aanmerken via de REACH Verordening.

Daarnaast is ook het streven stoffen die effect hebben op het zenuwstelsel, immuunsysteem, de luchtwegen of andere vitale organen zoveel mogelijk uit consumentenproducten te weren. De methodiek om deze stoffen te identificeren dient te worden verbeterd en ook moeten hiervoor in Europees verband criteria worden opgesteld.

Er is ook behoefte aan integratie van bestaande informatiesystemen, waarmee nieuwe en opkomende risico's van chemische stoffen sneller kunnen worden geïdentificeerd. Technieken zoals kunstmatige intelligentie kunnen hierbij van nut zijn.

Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is er een toenemende maatschappelijke- en politieke druk om het aantal dierproeven sterk te verminderen. Hiervoor is de ontwikkeling en toepassing van New Approach Methodologieën (NAM's) in de REACH-registratie van belang. Ten einde een adequate risicobeoordeling te kunnen garanderen, dienen deze methoden echter wel voldoende robuust en valide te zijn en moet ook de overdraagbaarheid voldoende zijn bewezen. Hier dienen nationaal en internationaal (OECD) afspraken over worden gemaakt.

Er is ook meer aandacht voor het cocktaileffect van chemische stoffen. De Europese Commissie heeft in de CSS een voorstel gedaan hiervoor een extra veiligheidsfactor bij het beoordelen van chemische risico’s te introduceren. Een dergelijke veiligheidsfactor zou in REACH en andere kaders worden geïntroduceerd.

Hoewel de veiligheidsaspecten van “eenvoudige” nano-materialen steeds beter wordt begrepen en opgenomen is in het algemene chemische stoffenbeleid, rijst de vraag of voor nano-materialen die een extra complexiteit bezitten de huidige risicobeoordeling altijd de veiligheid van deze geavanceerde materialen kan garanderen. Het is van belang dat de industrie deze stoffen voldoende op veiligheid onderzoekt en beoordeeld. Hierbij kan de ontwikkeling van anticiperende strategieën van nut zijn die veiligheid, duurzaamheid en regelgevingsdekking van (geavanceerde) nano-materialen in de innovatiefase combineren.

Er moet ook meer inzicht worden verkregen op de potentiële risico’s van het gebruik van polymeren. Een registratieverplichting voor polymeren met een groot marktvolume of die op basis van bepaalde functionele groepen schadelijk kunnen zijn, kan hierbij helpen.

Om zo spoedig en effectief mogelijk een toxisch vrij milieu te realiseren, is het wenselijk het huidige autorisatie en restrictie proces te hervormen, waarbij een integratie van deze processen zou kunnen helpen door via een meer generieke (groeps)aanpak meer efficiëntie en doelmatigheid te bereiken. Hiervoor is het ook van belang dat over de gehele levenscyclus van een SVHC stof meer informatie wordt verstrekt over het gebruik en de blootstelling aan de stof. Alle partijen (producenten, importeurs en downstream gebruikers) dienen hierin meer actief bij te dragen. Ook dienen investeringen en innovatieve capaciteit voor de productie te worden gestimuleerd, naast het gebruik
van chemische stoffen die veilig en duurzaam zijn ontworpen gedurende hun hele levenscyclus (safe and sustainable by design (SSbD). Hierbij zal er ook op worden gelet dat de meest gevaarlijke stoffen (ZZS) alleen door veilige en duurzame stoffen worden vervangen en ongewenste vervanging wordt voorkomen. Dit is in lijn met de veranderende beleidscontext in de lidstaten, die een holistische benadering van de veiligheid van chemische stoffen vereist, die de groene transitie kan versnellen. Hierbij zou ook onderzocht kunnen worden of het Nederlandse ZZS-beleid meer in Europees verband kan worden geïmplementeerd.

De Europese commissie heeft een aantal voorstellen gedaan om te komen tot “one substance one assessment”, waarbij taken zullen worden herverdeeld tussen vier EU-agentschappen, met als doel coherente en transparante veiligheidsbeoordelingen in verschillende beleidskaders te garanderen.Het ECHA krijgt te maken met een uitbreiding van haar mandaat waarbij ook het werk in ECHA’s wetenschappelijke comités RAC en SEAC verder zal toenemen en verbreden. Dit zal effect hebben op de gevraagde inzet van experts uit landen. Voor Nederland verzorgd Bureau REACH de inzet van experts in deze comités die hun oorsprong in de REACH Verordening kennen. De extra taken zijn
aanleiding voor herijking van de inzet.

Daarnaast zullen alle belanghebbenden via een te ontwikkelen gemeenschappelijk data platform op een vereenvoudigde en transparante manier toegang krijgen tot informatie over chemische stoffen en de regelgevende maatregelen die voor de stoffen in verschillende kaders worden gevoerd. Dit alles moet bijdragen aan een betere bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.