Methodiekontwikkeling

Bureau REACH levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van testmethoden. Dit doen we in Europees verband en wereldwijd (OESO). Hieronder staan onze belangrijkste activiteiten.

EOGRT

Bureau REACH heeft bijgedragen aan een project bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) om de uitvoering van een belangrijke testrichtlijn, de ‘extended one-generation reproductive toxicity (EOGRT; OECD TG 443)’ studie, te verbeteren.

Deze testrichtlijn levert belangrijke informatie op over mogelijke effecten van chemische stoffen op het gebied van het immuunsysteem en de hersenfunctie, het hormoonsysteem, de reproductie en de ontwikkeling van het ongeboren kind. In 2023 bekeek het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) in samenwerking met een aantal EU-lidstaten, waaronder Nederland, de eerste 55 EOGRT studies die waren aangeleverd onder de REACH wetgeving. Daaruit bleek dat op een aantal aspecten verbeteringen aangebracht konden worden.

Daarop heeft Nederland, samen met Denemarken en ECHA, voorgesteld om verbeteringen door te voeren in deze testrichtlijn. Het vernieuwde protocol gepubliceerd op de OESO-website. Het bevat onder andere aanpassingen voor het testen van effecten op het immuunsysteem en het hormoonsysteem. Momenteel wordt het bijbehorende richtsnoer (GD 151) aangepast in lijn met deze aanpassingen in het testprotocol.

Artikel: mutageniteit Annex VII stoffen

Voor het bepalen van de mutageniteit van een stof wordt onderscheid gemaakt tussen 1) het veroorzaken van mutaties en 2) het veroorzaken van chromosomale schade. Voor de identificatie van mutagene stoffen die onder REACH zijn geregistreerd met een productie van 1-10 ton per registrant/jaar (Annex VII), is alleen de Ames-test vereist. Wordt een stof positief getest dan is verder onderzoek nodig. Bij een negatief testresultaat is aanvullend onderzoek alleen verplicht bij een hogere productiehoeveelheid. Aangezien de Ames test alleen de vorming van mutaties meet, worden met de Annex VII-test dus niet alle mutagene stoffen geïdentificeerd.

Met behulp van batterij (Q)SAR-modellering, hebben Denemarken en Nederland gezamenlijk onderzocht hoeveel potentiële mutagene stoffen op Annex VII mogelijk niet worden herkend. Uit de betreffende publicatie blijkt dat slechts bij een kwart van deze stoffen een positief experimenteel Ames-testresultaat beschikbaar is (https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0273230025001783). Om dit tekort te ondervangen, wordt aanbevolen om de in vitro micronucleustest, waarmee chromosomale schade kan worden vastgesteld, toe te voegen aan de vereisten van Annex VII.

Artikel: impact potentieel (zeer) persistente stoffen

Emissies van (zeer) persistente chemische stoffen kunnen op termijn leiden tot een toenemende milieubelasting. Afhankelijk van de persistentie kan de milieureserve hoog blijven, zelfs na het volledig stoppen van emissies. De effecten op ecosystemen en de mens hangen samen met deze voorraad in het milieu, terwijl de effectiviteit van beleid doorgaans wordt beoordeeld op basis van emissiereductie. Emissieschattingen bieden echter geen inzicht in de verandering van de milieureserve als gevolg van persistentie.

In het kader van een integraal project is een dynamisch model ontwikkeld dat het verloop van emissies vertaalt naar het verloop van de milieureserve in verschillende milieucompartimenten, zowel op nationale als mondiale schaal. Aan de hand van PFOA-emissies in West-Europa werd vervolgens het verloop van de milieureserve geschetst voor drie perioden: vóór beleidsinterventie, tijdens de overgang en na de invoering van beleid. Daarnaast zijn de verschillende historische en hypothetische interventiescenario’s vergeleken, variërend in tijdstip en de strengheid van maatregelen. Uit de analyse blijkt dat de afname van de milieureserve niet direct in verhouding staat tot de emissiereductie. Het berekenen van de (cumulatieve) milieureserve is daarom essentieel voor een juiste inschatting van de baten (of de effectiviteit) en de kosten van emissiebeperkende maatregelen. De resultaten laten ook zien dat de effectiviteit van maatregelen afneemt of zelfs nihil is als interventies uitgesteld worden, bijvoorbeeld door het toekennen van derogaties. Deze benadering is breed toepasbaar op diverse persistente en zeer persistente stoffen en kan worden gebruikt om risicomanagementmaatregelen te prioriteren binnen verschillende wettelijke kaders, zoals REACH of de Europese Biocidenverordening. De analyses zijn momenteel onder review voor publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift.